Bij de bezichtiging van ons vorige huis lag het energielabel gewoon op tafel, tussen de plattegrond en de lijst met vragen die we vergaten te stellen. Een groene C. De makelaar tikte er even op, zei dat het “prima” was, en we gingen door naar de badkamer. Pas twee winters later begreep ik wat die letter eigenlijk had willen zeggen: dat het dak nog nauwelijks iets tegenhield en dat de ketel harder werkte dan nodig was. De letter stond er, ik had hem gezien, en toch had ik hem niet gelezen.
Dat is precies het probleem met het energielabel. Iedereen kent de kleurenbalk, bijna niemand weet wat er onder ligt. Een A klinkt als goed en een G als slecht, en verder blijft het bij een gevoel. Terwijl er sinds 2021 een behoorlijk gedetailleerde berekening achter zit die je vrij precies vertelt waar je aan toe bent, mits je weet waar je naar kijkt.
Wat er sinds 2021 achter die letter zit
Tot 2021 kon je online een vereenvoudigd label aanvragen. Je vulde zelf wat gegevens in, uploadde een paar foto’s, en voor een paar tientjes had je een letter. Dat systeem bestaat niet meer. Sindsdien wordt het label bepaald volgens de rekenmethode NTA 8800, en die vraagt om een adviseur die daadwerkelijk in je huis komt kijken. Hij meet de gebruiksoppervlakte op, kijkt hoe dik de spouw is gevuld, welk glas er in de kozijnen zit, wat voor ketel of warmtepomp er hangt, hoe de ventilatie is geregeld en of er zonnepanelen op het dak liggen.
Uit al die gegevens rolt één getal: het primaire fossiele energiegebruik, uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter per jaar. Dat getal staat op je label, vaak in kleine letters naast de balk, en het is eerlijk gezegd informatiever dan de letter zelf. Twee huizen met dezelfde C kunnen daar tientallen kilowattuur uit elkaar liggen, waarbij de een net onder de grens naar B zit en de ander bijna afzakt naar D. Wie gaat verbouwen wil dat getal weten, want het vertelt hoeveel er nog te winnen valt.
De letters naast elkaar
Onderstaande tabel is geen officiële norm maar een vertaling naar wat je in de praktijk tegenkomt, opgebouwd uit wat een adviseur bij dit soort woningen aantreft. De exacte grenswaarden verschillen per woningtype, daarover verderop meer.
| Label | Waar je het meestal aan herkent | Wat het in de praktijk betekent |
|---|---|---|
| A++++ en hoger | Zeer goed geïsoleerde schil, warmtepomp of warmtenet, veel zonnepanelen, vaak balansventilatie met warmteterugwinning | De woning wekt bijna evenveel op als hij verbruikt. Meestal nieuwbouw of een zeer diepe renovatie |
| A+++ tot A+ | Isolatie overal aanwezig, triple glas of goed HR++, warmtepomp of hybride opstelling, zonnepanelen | Lage energierekening, comfortabel in zomer en winter. Verbeteren kan nog, maar de terugverdientijd wordt lang |
| A | Vloer, spouw en dak geïsoleerd, HR++ glas, moderne HR-ketel, soms zonnepanelen | Prima uitgangspositie. De grootste stap die overblijft is meestal de overstap van gas naar een warmtepomp |
| B | Goede isolatie op twee van de drie vlakken, HR++ glas beneden, ketel jonger dan tien jaar | Er ontbreekt bijna altijd één ding, vaak vloer- of dakisolatie. Dat ene ding aanpakken tilt je snel naar A |
| C | Spouwmuur gevuld, dubbel glas, ketel van rond de vijftien jaar, dak of vloer nog onbehandeld | Het meest voorkomende label bij woningen uit de jaren zeventig en tachtig. Comfortabel op papier, tochtig in januari |
| D | Deels dubbel glas, ongeïsoleerde vloer, vaak nog enkel glas op zolder of in de bijkeuken | Hier begint de stookkosten merkbaar te knagen. Twee ingrepen kunnen twee labelstappen opleveren |
| E | Weinig tot geen na-isolatie, oude ketel, enkel glas op meerdere plekken | Koude vloeren, warm onder het dak, hoge rekening. In de huursector kost dit label punten in het woningwaarderingsstelsel |
| F en G | Ongeïsoleerde schil, vaak vooroorlogse bouw of een woning waar sinds de oplevering weinig aan is gedaan | Er valt het meest te winnen en de eerste ingrepen zijn hier het goedkoopst per gewonnen kilowattuur |
Wat mij opvalt als ik deze rij van boven naar beneden lees: de sprongen onderin zijn veel groter dan die bovenin. Van G naar D komen is met dakisolatie en beter glas vaak binnen één seizoen te doen. Van A naar A++ komen kost een warmtepomp, een aangepaste afgiftesysteem en meestal een flinke rekening. Wie een matig label heeft, heeft dus geen probleem maar een voorsprong, althans zo probeer ik het te zien als ik weer eens op een stoffige zolder sta.
Waarom hetzelfde verbruik twee letters kan schelen
Een detail dat veel mensen mist: de grenzen tussen de letters liggen niet voor elke woning op dezelfde plek. Een appartement in het midden van een blok heeft nauwelijks buitenmuren en verliest dus veel minder warmte dan een vrijstaand huis met vier gevels en een groot dak. Om dat eerlijk te houden, rekent de methode met verschillende drempels per woningtype. Het gevolg is dat een vrijstaande woning en een tussenwoning met exact hetzelfde gebruik per vierkante meter niet automatisch dezelfde letter krijgen.
Ook de gebruiksoppervlakte speelt mee, en niet zoals je zou verwachten. Omdat het getal per vierkante meter wordt uitgedrukt, scoort een groot huis met veel onbenutte ruimte relatief gunstiger dan een compact huis waarin elke meter wordt bewoond. Dat maakt het label een prima instrument om woningen te vergelijken en een middelmatig instrument om je eigen rekening te voorspellen. Voor die rekening telt vooral hoe jij stookt, hoeveel mensen er douchen, en welk contract je bij je energieleverancier hebt lopen.
Aanvragen, geldigheid en wat het kost
Je hebt een geldig label nodig op het moment dat je je woning verkoopt, verhuurt of oplevert. Het wordt geregistreerd in een landelijke database en is tien jaar geldig. Verbouw je in die tien jaar flink, dan blijft het oude label formeel gewoon staan, ook al klopt hij niet meer. Dat is zonde bij verkoop, want je vraagt dan een prijs voor een huis dat op papier slechter is dan in werkelijkheid. Een nieuw label laten opmaken kost meestal een paar honderd euro, afhankelijk van het woningtype en de regio, en dat verdien je bij een verkoop makkelijk terug. Wat er precies wettelijk verplicht is en welke uitzonderingen er gelden, staat overzichtelijk bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Vraag de adviseur om het volledige rapport en niet alleen om het certificaat met de balk. In dat rapport staat per onderdeel welke waarde is ingevoerd: de Rc-waarde van het dak, de U-waarde van het glas, het rendement van de ketel. Dat is de meest bruikbare verbouwlijst die je kunt hebben, want je ziet zwart op wit welk onderdeel het slechtst scoort. Bij ons bleek dat het dak te zijn, en niet de kozijnen waar we al maanden over liepen te dubben.
Wat ik met een matige letter zou doen
Begin bovenin. Warmte gaat omhoog, en een onbehandeld dak is bijna altijd het lek dat het meeste kost en het minste gedoe geeft om te dichten. Dat je daarmee de basis legt voor een comfortabel en energiezuinig huis merk je trouwens eerder aan de temperatuur op de overloop dan aan de jaarafrekening. Daarna komt de vloer, dan het glas, en pas als de schil op orde is heeft het zin om naar de installatie te kijken. Een warmtepomp in een tochtig huis is een dure manier om teleurgesteld te raken.
Staat de ketel toch al op zijn laatste benen, kijk dan meteen goed naar wat je terugzet. Het verschil tussen een combiketel en een soloketel bepaalt namelijk mede of je later eenvoudig kunt overstappen op een hybride opstelling of dat je jezelf vastzet. Dat soort keuzes maak je één keer per vijftien jaar, en het loont om er een middag over na te denken in plaats van de installateur te laten beslissen op de ochtend dat het koud is.
En dan die letter zelf. Ik zou hem behandelen zoals je een cijferlijst van school behandelt: nuttig als samenvatting, nutteloos zonder toelichting. Het getal ernaast en het rapport eronder vertellen het echte verhaal, en dat verhaal gaat zelden over de letter en bijna altijd over één plek in huis waar de warmte al jaren stilletjes naar buiten loopt.


